Nieuwswaardig?

De eerste pushberichten vanochtend vroeg maakten een definitief einde aan mijn nachtrust. Er was Groot Nieuws. De verrader van Anne Frank was gevonden. ‘Ze denken dat het hen is gelukt. Dat ze een van de grootste mysteries van de Tweede Wereldoorlog hebben opgehelderd: wie verraadde Anne Frank?’ Met deze formulering opent het artikel in NRC op maandag 17 januari over de uitkomsten van het coldcaseteam dat onderzocht wie Anne Frank en haar familie en achterhuisgenoten heeft verraden. Of het één van de grootste mysteries is, dat is maar net vanuit welk perspectief je het bekijkt. Wij hebben in onze familie ook onze eigen grootste mysteries, zoals ‘wie verraadde oudoom Carel en zijn familie? Wat is er met grote Manuel gebeurd? Waar zijn Sofia en haar dochter Estella toch gebleven? Wie denkt dat de meeste raadsels rondom de Tweede Wereldoorlog zijn opgelost, die vergist zich. ‘Dat weten we nu toch wel’ is een verzuchting die ik wel eens hoor. Maar dat is nu juist het probleem. We weten nog zoveel niet. Ondanks de bergen die al vele jaren door onderzoeksinstituten en historici worden verzet. Ook ik doe al jaren onderzoek naar de geschiedenis van mijn families, die van mijn vader en van moeders kant en ik constateer dat er heel wat vraagtekens en ‘losse eindjes’ zijn. Er staan fouten of vermoedelijke fouten op joodsmonument.nl of in de andere databases. Maar ik heb geen coldcaseteam achter me staan, net als de meeste andere families van oorlogsslachtoffers dat ook niet hebben. We hebben allemaal wel onze eigen Anne Frank in de familie. Ze heten alleen Max of Philip, Sara, Estella, Manuel, Sallie of Nico. Ze zijn of verraden, of hebben zich gemeld bij Schouwburg of station, ze zijn gearresteerd om te worden gedeporteerd en vermoord, maar niet van iedereen is precies bekend hoe, waar en wanneer dat allemaal is gebeurd. Ieder verhaal staat op zich en is eigenlijk met geen ander te vergelijken, ook al zijn er natuurlijk veel overeenkomsten. Hoe meer je je erin verdiept, des te meer vragen er rijzen. Het is als een reis die steeds moeilijker wordt naarmate je dichter bij het einde komt, de wegen worden steeds ondoorgrondelijker en lastiger te volgen. Op zoek naar de verraders van mijn oudoom Carel en zijn familie werkte ik ook met talloze scenario’s, om uiteindelijk te concluderen dat er nooit meer zekerheid zou komen over welke van de drie of vier waar zouden kunnen zijn geweest (als het al een van die scenario’s zou zijn). En de vraag is wat dat betekent. Waarom wilde ik weten wie de verraders waren? Wat levert dat me dat eigenlijk op? Oom Carel en zijn familie is dood. De verraders zijn het ook. Je mag hopen dat ze last hebben gehad van een slecht geweten, maar postuum blamen..is dat dan de weg die ik zou willen bewandelen? De wegen van het coldcaseteam rond de familie Frank doen ongemakkelijk aan. Het wordt gebracht als ware het een doorbraak in het Marengoproces, alle media slaan aan. Anne Frank is altijd goed voor hot news.  Het bewijs is niet keihard en toch wordt er iemand aangewezen als meest waarschijnlijke verrader. Het was een jood. Dat is pijnlijk. Liever was het een enge nazi, maar de realiteit was en is nu eenmaal altijd gelaagd, diffuus en onverwacht. Dat er ook joden verraders waren is geen nieuws. Hun motief was echter meestal lijfsbehoud, zoals je tegenwoordig ook weer ziet bij de maffia, of die nu Italiaans of Marokkaans van...

En toen kreeg mama corona….

De val op de galerij op 15 augustus luidde het laatste hoofdstuk van haar leven in. Dat wist ik meteen toen broer me belde. Toen ik bij haar kwam, lag ze in bed. Ze had pijn, maar had (oh, wonder) weer eens niets gebroken. Mijn moeder was bijna 94 en bezig aan een hele trage ‘fade-out’ die al een jaar of twee aan de gang was. Elke keer als we bij haar waren, liep ze langzamer en sprak ze trager, soms zoekend naar woorden. Het hele kordate gedrag dat haar altijd had gekenmerkt was langzaam maar zeker aan het verdwijnen. Haar krachten namen af. Ik vermoedde dat haar hart er niet meer zo’n zin in had, want ze was snel moe, soms benauwd en klaagde over haar hart, dat zo kon bonken. Maar naar de dokter ging ze niet en alle vormen van hulp werden vakkundig afgeslagen. “Als ik niet meer zelf de boodschappen kan doen, dan ben ik weg” zei ze vaak. Ze duldde al helemaal geen inmenging in haar voeding. “Ik eet wel, ik heb net nog een tomaat op” zei ze als ik voorzichtig vroeg of ze wel voldoende at. Dat deed ze absoluut niet en daarmee werkte ze actief mee aan haar langzame verdwijning. Na een aantal confrontaties besloot ik het te laten. Toch zetten we regelmatig wat makkelijke hapjes in haar koelkast. Om ze weken later onaangeraakt weer weg te gooien. Mentaal was mijn moeder loeischerp. Er was geen sprake van vergeetachtigheid of iets wat daarop leek. Ze wist alles, hoorde alles, zag alles en vormde haar intelligente en scherpe oordeel nog altijd in een oogwenk. Ze liet alleen niet blijken dat ze zicht had op haar eigen bijdrage aan het langzame verdwijnen. Doodgaan was onbespreekbaar. Ze was woedend na de val op de galerij en zei dat ze niet was gevallen, maar gestruikeld, als een kind dat niet wil toegeven verloren te hebben bij een spelletje. Soms, ineens, was het er wél. Toen de coronacrisis begon in maart, zei ze dat ze dacht dat zij daarbij zou gaan horen, bij die coronadoden. Het leek me gruwelijk, niet vanwege het sterven, maar wel de manier waarop. Mijn vader was gestikt. De halve familie was in de gaskamer gestorven aan de verstikkingsdood. Ik wilde niet dat haar dat lot ook zou treffen en dat wij niet bij haar konden zijn. Een tijdje later zei ze opeens, “we zullen elkaar toch eens moeten loslaten”. Ze sprak ons daarmee beiden moed in. Op 9 september troffen we haar ’s ochtends vroeg aan, na een derde valpartij, zittend op haar knieën en leunend op haar bed, gekleed in slechts een onderbroek, als een klein en heel oud meisje. ”Ik ben zo misselijk”, kermde ze. We hielpen haar terug in bed en belden de huisarts. Ze had koorts en kon helemaal niets meer. Nog geen pink tilde ze zelfstandig op. Mijn man en ik zorgden drie dagen voor haar, dagen waarop ze ons elke tien minuten riep. “Tien, ik lig niet lekker. Tien, ik moet plassen.” Ze was onrustig en bang om alleen te zijn. Na drie dagen waren wij gesloopt en na een negatieve coronatest was er een plek voor tijdelijke opvang in het verpleeghuis van de VU. Ik was opgelucht. Zij niet. Ze was woedend op mij, omdat ik niet voor haar wilde zorgen. In het verpleeghuis gebeurde precies wat ik al vermoedde. Ze ging haar best doen. Was een voorbeeldige patiënt, at en dronk goed en...

#metoo en ik

In de Theaterkrant hebben 445 theatermakers een open brief geplaatst, gericht aan Toneelgroep Oostpool, waarin ze een oproep doen aan makers en spelers om niet langer bang te zijn en misstanden te melden bij https://mores.online/. Samenvatting van het voorafgaande: er waren meerdere klachten over seksuele intimidatie door de artistiek leider van Oostpool, Marcus Azzini. Er kwam een onderzoek en Azzini kon in eerste instantie weer aan het werk na een stevig gesprek met de raad van toezicht. Na deze brief in de Theaterkrant komt er een vervolgonderzoek en Azzini legt zijn taken neer tot de uitkomsten daarvan bekend zijn. ‘Angst is de vijand van de kunst’ schrijven de theatermakers. Maar ‘macht en kunst’ verdragen elkaar ook slecht en deze drie, macht, angst en kunst hebben vaak alles met elkaar te maken. Toen ik in 1986 op de Amsterdamse Theaterschool afstudeerde liep ik stage bij het Zuidelijk Toneel Globe, zoals het destijds heette. Er was een soort tussenjaar waarin vier artistiek leiders een aanstelling hadden, na afloop van een roemruchte periode o.l.v. Gerardjan Rijnders. Ik belandde midden in een felle machtsstrijd tussen twee van de grootste kemphanen, Theu Boermans en Sam Bogaerts. Ze streden om wie de regie mocht doen van de grotezaalproductie van dat jaar, waarin ik een hoofdrol speelde (Ghetto van J.Sobol). De uitkomst was dat ze het samen deden en dat was niet alleen artistiek gezien een ongelukkige keuze. Wat ik waarnam aan gedrag bij de acteurs was dat de meesten bang waren en zich afvroegen op welk paard ze nu moesten wedden om ook in het volgende seizoen nog werk te hebben. Zou het Theu worden of Sam? Ik weet niet meer precies wie er won (ik geloof geen van beiden), maar ik herinner me wel het gedrag van vier jonge acteurs jegens hun grote held Sam, wat ik destijds als schokkend heb ervaren. Ze deden alles wat hij vroeg. Alles moest ‘echt’ zijn, dus valpartijen of gevechten mochten niet ‘fake’ zijn. Ze verwondden en vernederden zichzelf wanneer hij dat wilde. Het leerde me veel over de machtsverhouding tussen regisseur en acteur, waarna ik begon te twijfelen of ik wel de juiste beroepskeuze had gemaakt. Het seizoen erna kreeg ik tot mijn vreugde, er was toen heel weinig werk, een rol in een jeugdtheaterproductie van de Paardenkathedraal in Utrecht, waar me opnieuw iets dergelijks overkwam. Ik besloot na die productie dat het voor mij bij het toneel over en uit was. In een omgeving die zo onveilig was, wilde en kon ik eenvoudigweg niet functioneren. Ik ben getekend door de oorlogstrauma’s van mijn ouders en heb juist veiligheid en vertrouwen nodig om me te kunnen ontwikkelen. Om te kunnen leren en leven. Ook denk ik dat de grote drive die ik had en nog steeds heb om me te uiten en mijn verhalen te vertellen, juist geworteld is in deze trauma’s en de gevolgen daarvan, bijvoorbeeld het ‘niet gezien’ worden. Staan de podia wereldwijd niet vol met mensen, die te weinig gezien zijn als kind en daarom die behoefte zo sterk hebben? Het is voor velen een noodzaak. Dat aspect maakt ze tevens zo kwetsbaar voor machtsmisbruik en intimidatie. Kunstenaars, zowel uitvoerende als scheppende, hebben er vaak alles voor over, om maar gezien en gehoord te worden. Bij dat ‘alles’ hoort ook het ondergaan van vernederingen en intimidaties of die nu seksueel van aard zijn of niet. Het is niet voor niets dat een aantal van de grotere #metoo-affaires zich afspelen in de wereld van de...

Is er leven na het Jeugdcultuurfonds? deel twee!...

In mijn vorige blog beschreef ik het eerste halfjaar van mijn nieuwe werkzaam bestaan; als schrijver, verteller en strategisch adviseur in de cultuursector. Als ik nu, aan het begin van 2019 terugkijk op het toch best aanzienlijke lijstje van opdrachten die ik kreeg en vooral kijk naar de resultaten, dan besef ik wat zo fijn is aan het zijn van freelancer. Je komt tijdelijk langszij en je doet en maakt hele concrete dingen. Ik maakte in het afgelopen jaar onder andere adviezen, een audiotour, inspiratiebijeenkomsten en subsidieaanvragen en zette daarmee een aantal zaken in beweging. VRIJDAG Bij deze fijne Groninger organisatie voor amateurkunst en cultuureducatie maakte ik in eerste instantie een plan voor meer kunst en cultuur in de wijken. Vervolgens begeleidde ik de start van het implementatieproces van dit plan. In november belegden we een inspiratiebijeenkomst met mooie voorbeelden van buiten, zoals Noordje uit Amsterdam en mooie voorbeelden uit Groningen zelf, zoals de Wijk de Wereld en de familiedag van het Groninger Museum. Ik was die dag de dagvoorzitter-die-haar-stem-kwijt-was, maar kon met behulp van lief publiek, een microfoon, thee en drop mezelf toch net verstaanbaar genoeg maken. Fryslan Voor de Provincie Fryslan maakte ik een advies hoe het cultuurbeleid opnieuw vorm te geven, een heel erg spannende en uitdagende opdracht. Op basis van mijn plan, ontwikkelde de Provincie nieuwe voornemens en namen een aantal van mijn adviezen over. Ik ben heel erg benieuwd hoe straks de nieuwe Provinciale Staten van Fryslan hiermee verder zullen gaan.   Vormgever Jelle Post vertaalde op mijn initiatief mijn SWOT-analyse visueel in een culturele landkaart.Ik geloof dat zoiets heel behulpzaam kan zijn bij de ontwikkeling van een nieuwe visie. Maak het maar eens zichtbaar en dan niet alleen in woorden.     In je Uppie Mijn vriendin Alet Klarenbeek startte een kleine twee jaar geleden met een nieuwe beweging met de titel UP! om een nieuwe kijk op ouder worden te agenderen en promoten. Ik hielp haar met de ontwikkeling van een nieuw deelproject ‘In de Uppie’ waar ouderen praten over belangrijke thema’s die ze bezighouden, zoals spijt of afscheid, maar waar niet altijd ruimte of gelegenheid voor is. Ik leidde twee van die mooie gesprekken en zal dat ook in het nieuwe jaar gaan doen. Radio Wongema Sinds 2017 ben ik deeltijdbewoner van het fijne Groninger dorp Hornhuizen, waar Erik Wong een culturele hotspot heeft neergezet, Wongema. Bij Wongema gebeurt van alles voor mensen uit het dorp, uit de regio, het hele land én de wereld. Een soort werelddorpshuis. Wij starten dit jaar samen met Radio Wongema. We voerden vrolijke en weemoedige gesprekken en maakten er podcasts van, te beluisteren via de website van Wongema. Stichting Gilat Begin 2018 werd ik benaderd door Stichting Gilat, een geweldig particulier initiatief van de familie Eisenmann voor langdurig zieke kinderen. Ze zorgen voor theaters en culturele programmering in kinderziekenhuizen. We initieerden een expertmeeting samen met het LKCA en het Fonds voor Cultuurparticipatie, die ik mocht modereren. Het werd een indrukwekkende ochtend in oktober in het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam. Daar leerde ik bijvoorbeeld dat er tegenwoordig veel minder kinderen doodgaan aan zware ziektes (gelukkig!) maar dat dit mede tot gevolg heeft dat er maar liefst 500.000 kinderen in Nederland chronisch ziek zijn. En deze kinderen hebben dus ook recht op én behoefte aan cultuureducatie. Het FCP en het LKCA pakken dit nu op en daar gaan we zeker meer van horen. Joods Cultureel Kwartier Voor het Joods Cultureel Kwartier schreef ik aan het einde van...

Is er leven na het Jeugdcultuurfonds?

Vorig jaar besloot ik mijn werkend leven een nieuwe richting te geven en weg te gaan bij het Jeugdcultuurfonds. Het fonds stond mooi, stevig op de benen en de fusie met het Jeugdsportfonds was een feit. Ik had zin om mijn vleugels uit en onbekende wegen in te slaan als zelfstandig strategisch adviseur, schrijver en verteller. Ik had een paar wensen. Ik wilde graag véél schrijven. Dat doe ik tegenwoordig vanuit mijn schrijfhuisje op het prachtige en stille Groninger Hogeland. Een perfecte combinatie met leven en werken in Amsterdam. De publicatie van mijn roman ‘Liever niet op reis’ smaakte naar méér. Ook wilde ik me graag inzetten voor méér en beter cultuuraanbod in de wijken. En ik verlangde ook wel weer erg terug naar de cultuursector, de sector waarin ik me het meeste thuis voel. Alle drie mijn wensen zijn uitgekomen. Ik kreeg de vraag van het Bijbels Museum om een audiotour te maken voor een tentoonstelling van bijbelse taferelen van Joodse kunstenaars, afkomstig uit het Joods Museum in Berlijn. De tentoonstelling ‘Rebekka, dat ben ik’ is deze maand geopend en daar te zien en te horen tot eind januari 2019. VRIJDAG, de organisatie voor cultuureducatie en amateurkunst vroeg me een plan te maken voor het werken in de wijken in mijn dierbare geboortestad Groningen. Het plan werd enthousiast ontvangen en ik mag nu ook betrokken zijn bij de implementatie. Vorige week leverde ik de Provincie Friesland een document met richtingen voor nieuw cultuurbeleid, gebaseerd op de wensen van het Friese culturele veld en met ideeën hoe de geweldige dynamiek van de Culturele Hoofdstad te behouden en voort te zetten ook na dit jaar. Drie totaal uiteenlopende klussen, die mij de mogelijkheid boden om mijn talenten te benutten en breed in te zetten en die me ook weer eens echt op mijn tenen lieten lopen, want moeilijk was het ook! Ik ben blij dat ik deze stap gezet heb en dat al deze mooie uitdagingen op mijn weg zijn gekomen. Het tweede deel van het jaar brengen me dieper de Groninger wijken in en zal ik een aantal keren als gespreksleider optreden, ook iets wat ik enorm graag doe. Er is nog ruimte voor één grote of twee kleinere adviesopdrachten. En er zal verder geschreven worden aan een nieuw...